Dit zijn alle columns die Wouter (tuvokki) voor FOK! geschreven heeft. Klik op de link rechtsonder de intro om de column te lezen.
Ineens kwam er een jongen naast ons staan. Hij had een beetje vettig haar en ik vond dat hij stonk.
"Hallo, ik heet Neukhond," zei hij tegen Alyssa.
Alyssa lachte en keek hem aan. Ik tikte hem op zijn schouder en hij keek om.
"Flikker toch op joh!" beet ik hem toe.
De jongen knipoogde naar me en ging weg.
"Wat een eikel, zeg," vond gelukkig ook Alyssa.
We namen nog een biertje en kletsten verder.
De vrouw waar Homme net naar stond te roepen had blijkbaar nogal opzichtig een kerel afgewezen. Allemaal geen reden tot paniek natuurlijk. Als Homme niet door was gegaan met het roepen van stompzinnigheden.
"Die vrouw weet dat bejaarden niet in het openbaar aan kopkluiven moeten doen!"
"Goed dat er iemand naar me luistert."
"De wereld dankt je, hoer, eh ... hoor."
Thor krijgt bezoek van een jong meisje. Ze zijn alleen in zijn schuurtje. Daar zitten ze te praten. Thor denkt aan vroeger, en waarom het meisje hem zo bekend voorkomt.
Thor krijgt bezoek van een jong meisje. Ze zijn alleen in zijn schuurtje. Daar zitten ze te praten. Thor denkt aan vroeger, en waarom het meisje hem zo bekend voorkomt.
"Ga je met de trein of rij je mee? Ik kan je thuis afzetten." Riep hij uit het raampje. Het was zijn manier om onze irritatie over de telefoon goed te maken. Een zoenoffer. En ik had er geen zin in, ik had gewoon even geen zin in Olav en een drie kwartier durende rit naar ons dorp. Drie kwartier lang om een onderwerp waar hij niet over wilde praten heen draaien. Hij had al jaren verschrikkelijke ruzie met zijn vader. En elke keer als het over ouders in het algemeen ging werd hij kwaad. Met mijn moeders verjaardag voor de boeg, de reden waarom ik terug ging, zou dat de hele rit als zwaard van Damocles boven onze hoofden hangen.
"Nederlandse meisjes zijn mooi, en de Engelse dik en lelijk," Tony staat op om naar een vergadering te gaan.
"En ordinair," roep ik hem na. Hij is niet voor niets met een Nederlandse getrouwd.
Tony noemt me de 'spending
Dutchman' als we vrijdag een borrel gaan halen. Het hoort erbij. Ik zuinig en slordig, hij bleek en netjes.
De stereotypen zijn te leuk om niet te gebruiken.
We hebben het wel
vaker over de verschillen tussen Engelsen en Nederlanders. Uiteindelijk
komen we vaak uit op dezelfde dingen. Cultuurverschillen zijn leuk om te
onderzoeken, en als het gaat over netheid zijn de verschillen
aanwijsbaar. Onze conclusie is over het algemeen dat we meer op elkaar
lijken dan al die verschillen doen vermoeden.
Olson liep door de Albert Heijn. Het was vrijdagavond en hij had nergens zin in. Na een week hard werken was het hem gelukt om onder alle sociale verplichtingen uit te komen. Zijn vrienden dachten dat hij met zijn collega's naar een etentje buiten de stad zou gaan, en zijn collega's hadden zijn botte weigering om mee te gaan zonder erg veel tegensputteren geslikt. Voor velen van hen was het een kansje om zich van hun goede kant te laten zien, want de baas van de baas ging mee. En die besliste een heleboel als het om carrières ging. Olson wilde geen carrière. Hij wilde die vrijdag alleen thuiszitten en zo zinloos mogelijk zijn tijd verprutsen. En als dat moest inhouden dat hij er de rest van zijn leven ook mee vergooide dan was dat maar zo. Eerlijk gezegd kon het hem weinig schelen.
Peter strompelde naar beneden. Hij had écht goede koppijn van de alcohol van gisteren en het lawaai van de buren. Gelukkig was het stil zolang de buurvrouw met haar papiertje bezig was. Peter liep naar buiten en ging op een stapeltje tegels bij de schutting staan.
"Kan het iets zachter?" Vroeg hij aan de buren. "Het is nog vroeg."
De twee keken even zijn kant op.
"Nou, dat valt wel mee hoor," schelde de snibbige stem van de buurvrouw, "normale mensen zijn allang op op dit uur van de dag."
Op een koude winterochtend werden we voorgesteld aan Mark. Hij zat ineens bij ons in de klas. Zomaar, niet eens aan het begin van het jaar. Dat maakte hem meteen al verdacht. Hij zat naast me omdat er bij mij in de buurt plek was. En via via hoorde ik al snel dat hij van zijn oude school gestuurd was. Of dat hij betrokken zou zijn bij een gevalletje van aanranding van een meisje.
Het was een herfstdag zoals ik er de laatste weken wel meer had meegemaakt. Elke keer als ik keek naar de vallende bladeren en de kleuren van de herfst moest ik denken aan Annique. Ze had een verlegen houding. Het was niet eens haar lach of blik, het was hoe ze bewoog, hoe ze ademde en sprak. Van binnen was ze een uitdagende persoon, iemand die diepzinnig en scherp kon zijn in discussies. Ze had de tijd om naar je te luisteren en en de fijnzinnigheid van geest om te antwoorden met nieuwe inzichten of rappe conclusies. Ik was helemaal hoteldebotel verliefd op haar.
"Hey," ik viste een krant uit de stapel en gooide een tientje de kiosk binnen, "kijk hier eens." Ik liet Cobi de krant zien. We liepen verder en lazen om de beurt een stuk van het artikel. Het ging over Menno, al werd hij niet bij naam genoemd. In een interview zei hij dat zijn zus geen zelfmoord gepleegd had zoals in de kranten stond, maar dat ze vermoord was.
"We zijn nieuws," reageerde Cobi droogjes.
De drank en de slaap hadden me goed gedaan. Ik wist weinig meer van de tijd die ik in het huis had doorgebracht. De striemen op mijn lijf waren langwerpige open wonden. Ik kon me moeilijk bewegen en mijn rug en billen waren beurs, open en deden vreselijk veel pijn. Mijn handen en enkels vertoonden striemen omdat ik vastgebonden was geweest. Ik herinnerde me flitsen, maar voornamelijk van de momenten dat ik wakker en alleen was, van de rest had ik geen idee meer.
Na de originele variant van de zoetwatertruc hadden Cobi en ik het op een drinken gezet. We deden alsof het een geslaagde onderneming was geweest, en dat was het ook. En de drank hielp me om te vergeten dat ik Lucinda's hart had gebroken. Uiteindelijk vond ik dat niet zo heel erg, het zou toch een keer gebeuren.
Tot diep in de nacht waren Cobi en ik in gesprek over de bloem van de negerin in Center Parcs en de zin van het leven. Tegen de ochtend kwamen we buiten. De hernieuwde vriendschap, die wederom per toeval was ontstaan, bleek langduriger dan de eerste. Cobi was voor mij een voortdurende bron van nieuwe inzichten en onzinnige acties.
We noemden het zoetwatervissen.
De vrouw ging op een van de tuinstoelen liggen en knoopte haar badjas open. Ik had nog nooit een naakte negerin gezien. Naast me zat Cobi, hij glunderde en keek opzij.
"Mooi man," zei hij, "op deze manier wordt de marteling van een heel weekend met je familie in een hellenoord als dit tenminste weer wat dragelijker." Het was een van de meest ware en poëtische zinnen die ik ooit gehoord had. Na enig denkwerk had ik de perfecte respons verzonnen: "ik heb hier een colablikje, gevuld met water. Zullen we die proberen te verwisselen met die van haar en kijken hoe ze reageert als er geen cola in haar blikje blijkt te zitten."
Na mijn geile avontuurtje met mijn ex ontmoet ik een leuk meisje, en word ik bedolven onder de mailtjes van mijn ex.
Gewoon negeren, en het gaat vanzelf weg. Hoe simpel kan het zijn.
Ik vloek vaak, hartgrondig diep en liever niet hardop, aangezien ik een nogal platte smaak heb voor krachttermen. De vleselijkste geslachtsdelen, gevolgd door ziektes en alles daarna wat fout is. Ik ben er niet trots op. Het is een van die karaktertrekken waar ik niet aan hecht, maar die aan mij gehecht zijn. Al tijden probeer ik te minderen. Of in elk geval mijn vloekgedrag onder controle te krijgen.
Als ik van de rotonde af fiets trekken de auto's op en word ik gesneden door een metallic-paarse Seat Arosa. Een lullige auto. Ik rem en houd mijn fiets met kostbare vracht met moeite overeind door mijn voet aan de grond te zetten, het stuur te draaien en vervolgens met beide voeten aan de grond terug te sturen. Mijn hart bonst. Ik ben geschrokken en geprikkeld, en dat maak ik duidelijk kenbaar door de auto na te roepen.
De camping was bij lange na niet vol. Het was nog vroeg in het seizoen, dus er zaten alleen vaste gasten. Mensen met stacaravans die regelmatig een weekendje op de camping zaten. Olson had geen enkele moeite gedaan om contact te maken. Zoals gewoonlijk knikte hij naar mensen die hem groetten, maar meer niet. Hij was op vakantie omdat het goed voor hem was. Niet om lastig gevallen te worden door praatgrage gekken die hun weekenden spendeerden in een op hout lijkende plastic hut. Hij schatte in dat deze mensen niet gediend waren van de lucht van een geestverruimende sigaret, ook iets waar zijn innerlijke stem hem voor gewaarschuwd had, dus was hij thuis in de weer geweest met kookpotten en theezeefjes.
Het was ochtend. Op mijn vrije dag loop ik in de ochtend graag een ommetje. En aangezien ik graag zit te genieten van een bleek ochtendzonnetje nam ik plaats op een bankje naast een bushalte. Er was geen bushokje. Er stond alleen een bankje met bijbehorende gele prullenbak.
Het waren die momenten dat ik Maria niet begreep, en zij mij niet. We
konden goed met elkaar opschieten. Alleen de laatste tijd was het vaak
een beetje stroef. Ze deed niet altijd meer mee met spelletjes die we
altijd speelden, zoals achter in de tuin op katten jagen met pijltjes
gedraaid van papier die we afschoten met van een bouwterrein gejatte
stukken PVC buis. Ook dat vond ze kinderachtig, terwijl het spannend en
leuk was.
De avond was geslaagd. Mijn collega's hadden buiten niks te doen ook een
geweldig drankprobleem. En dat was een goede combinatie. Ik wist niet
meer hoe laat het was toen ik de deur van de fietsenkelder open maakte.
Binnen zocht ik mijn box en even later slaagde ik er in mijn fiets
binnen te zetten. Ik was best dronken en mompelde een liedje toen ik de
deur van de box op slot deed. Ik draaide me om, en daar stond ze.
Net toen ze weg wilden gaan, hoorden ze stemmen. Blijkbaar was er een opening tussen dit deel van het gebouw en de kleedruimten die bij het sportcomplex hoorden. Ze hadden afgesproken een keer vlak na een gymles terug te keren maar het was er nooit van gekomen. Nu kon ik genieten van hun toevallige ontdekking.
De frustratie dreef me letterlijk mijn bed uit. Frustratie of overmatig zweet, ik weet het verschil niet. En nu lig ik, onder mijn gele dekentje, op de bank tv te kijken. Het geluid heb ik uit staan. Er is op vijf kanalen reclame voor erotische telefonie en de rest van het pulpkanon wordt gevuld met aanbiedingen voor keukenapparaten en fitnessaparatuur.
In de wachtkamer van de dokter was er een man naast me komen zitten. Hij zuchtte. Ik kon me wel voorstellen wat er ging gebeuren. En ik had er helemaal geen zin in. Ik wilde gewoon een beetje de tijd uitmijmeren. Geen gesprekjes over het weer, of over kwaaltjes. Ik wilde helemaal niks, en kon alleen maar denken aan mijn knie.
"Saskia wil bij me weg!" De grote rode letters contrasteerden met de witte muur. Alsof hij het nog niet wist! Gisteren had hij in een vlaag van dronken verstandsverbijstering de boodschap met een spuitbus op de muur gekliederd. De boodschap die hij nooit had willen horen. De schreeuw door de telefoon die niet had mogen rinkelen.
Links naast me zat een jongen, ongeveer van mijn leeftijd, jasje maar geen das. Mooie spijkerbroek en goeie geknipte haren. Ook hij keek naar mijn tekening. Eerst lette ik er niet op, maar hij bleef enkele seconden naar mijn tekening kijken, om vervolgens iets op zijn blaadje te schrijven. Daarna keek hij weer naar mijn tekening, weer zijn blaadje, mijn tekening, en zo ging het even door. Het was voor mij spannend genoeg om even niks te veranderen aan mijn gedroedel. Wellicht had hij nu het idee van zijn leven, en dat wilde ik niet verpesten.
Myra was de dochter van een dominee, geboren in het dorp wat in de loop der tijd was uitgegroeid tot de stad waar ik me nu een avond probeer te vermaken. Een oude man in de kroeg vertelt me het verhaal van haar dood, en de gruwelijke gebeurtenissen die daartoe geleid hebben. Dit is het slot van een vierdelig kort verhaal.
Myra was de dochter van een dominee, geboren in het dorp dat in de loop der tijd was uitgegroeid tot de stad waar ik me nu een avond probeer te vermaken. Een oude man in de kroeg vertelt me het verhaal van haar dood, en de gruwelijke gebeurtenissen die daartoe geleid hebben. Dit is deel 3 van een vierdelig kort verhaal.
Myra was de dochter van een dominee, geboren in het dorp wat in de loop der tijd was uitgegroeid tot de stad waar ik me nu een avond probeer te vermaken. Een oude man in de kroeg vertelt me het verhaal van haar dood, en de gruwelijke gebeurtenissen die daartoe geleid hebben. Dit is deel 2 van een vierdeling kort verhaal.
Myra was de dochter van een dominee, geboren in het dorp wat in de loop der tijd was uitgegroeid tot de stad waar ik me nu een avond probeer te vermaken. Een oude man in de kroeg vertelt me het verhaal van haar dood, en de gruwelijke gebeurtenissen die daartoe geleid hebben. Dit is deel 1 van een vierdelig kort verhaal.
Geheel tegen mijn verwachting in had ik ook een kaart. Met een roze wollen draad. Achter op de kaart stond in meisjeshandschrift geschreven: 'Kom na het feest, om vier uur precies, naar de holle treurwilg.'
Ik snapte meteen van wie de kaart was. Buiten dat ik het handschrift herkende, kon er ook maar een iemand zijn die aan me dacht.
Pas na een gesprekje met haar beste vriendin was de ware, nare smaak teruggekomen. Ze besloot hem te zeggen dat echte waardering en echte liefde voor haar ook betekenden dat hij dingen moest doen die hij niet leuk vond. Dat ze met hem leuke dingen wilde doen. En dat ze geen zin had om elke keer weer teleurgesteld te moeten zijn, omdat hij haar liet zitten. Ze zat nu te wachten om hem dat te vertellen.
Meteor heeft een vervelende dag. Dat betekent dat hij zich verveelt. Om wat spanning te zoeken gaat hij naar de kroeg. Ook daar is weinig te beleven. Hij vindt gelukkig een manier om een zatlap en een stinkende zwerver met elkaar te verbinden. En hij houdt er een goeie fles whisky aan over. Toch nog een leuke avond gehad.
Om de zoveel tijd was Angela ontevreden met haar lichaam. Dan weer waren haar billen te dik of haar borsten te klein. Ze dacht aan liposuctie of vergrotingen van het een of ander. Ze droomde van een strak lichaam, zodat iedereen haar weer aardig zou gaan vinden. Ze plande altijd een afspraak met een plastisch chirurg in haar agenda. Maar de man daadwerkelijk bellen deed ze nooit. Op die manier kon ze blijven dromen van het figuur dat haar gelukkig zou maken, want verder was er niks mis met haar. Toch durfde ze niet.
“Dat is het hem nu juist. Ik zie de dingen echt wel zoals jullie ze zien. Of ik kan ze zien zoals jullie ze zien, als ik wil. Het is een kwestie van aanpassen. Ik interpreteer mijn wereldbeeld en match het aan die van jullie. Andersom kan dat niet, omdat jullie een wereldbeeld, een referentiekader delen. Doordat ik bij iedereen om me heen kan toetsen hoe jullie je werkelijkheid beleven, kan ik me een beeld vormen van hoe verschillend die is ten opzichte van die van mezelf. Dat geeft me de ruimte om te doen alsof ik normaal ben.” Voor het eerst deze middag lachte Karst. “Normaal is in deze gedefinieerd als: hetzelfde als de rest.”
Het was tijd om even nuchter uit te rusten, en morgen weer te gaan werken. Zijn zogenaamde tropische ziekte was vermoeidheid van de reis die hij nooit gemaakt had. Olson wist dat zijn collega's er wel om zouden kunnen lachen. Dat deden ze altijd als ze niet begrepen wat hij in zijn vrije tijd deed.
Kazar is op weg naar zijn gevaarlijke stunt met de miereneter als hij Pussy, de poezenmot tegenkomt. Eerst denkt hij dat de stekelige, en zeer vervelende, moet hem dood wil hebben. Later begrijpt hij dat dit de ontmoeting is die zijn reis echt laat beginnen.
“Misschien ben ik gewoon bang om vergeten te worden. Straks ben ik weg en gaat het leven zonder mij ook gewoon door. Gelukkig heb ik jou als vriend.” Hij keek om en merkte dat Bric al weer in zijn wormengat verdwenen was. Voor het eerst was hij helemaal alleen, en op een rare manier voelde dat prettig.
In de ogen van Kazar de Vechtmier bestond het existentialisme niet. Hij had geen boodschap aan toeval en het lijden wat daarmee samen zou hangen. Hij geloofde niet zozeer in de zinloosheid van het leven. Kazar had geen zin om een twijfelend mietje te zijn. Toch zat hij in een behoorlijke existentialistische crisis. In zijn leven was er geen God. Geen heerser die voor hem besliste wat en hoe het gebeurde in zijn leven. Niks aan het toeval overliet. Nee, er was niks dat hem stuurde. Hij nam de belsissingen zelf, en droeg dus ook de volle verantwoordelijkheid. En dat vond hij Eng. Met een hoofdletter.
Het barbecueseizoen was weer begonnen. Karst baalde daar altijd van. De stank van verbrand vlees, en het gewauwel van zijn buren die gezellig de ene fles wijn na de andere leeg tikten was hem een doorn in het oog. Of neus en oren, dat wist hij niet meer. Het eten van half rauw, of juist droogdoorbakken en verbrand vlees kon hem niet bekoren. Als hij zelf betrokken werd bij een barbecue dan nam hij wat sla. Het vlees dat bij binnen kreeg probeerde hij goed te kauwen, zodat hij het de zelfde avond nog met weinig moeite uit kon braken.
Het was mistig. Meteor had zijn verlangens, hoop en liefde bedekt onder een wollen deken. Zijn dekbed heette drank, of kwam van de coffeeshop. Eigenlijk maakte het niet uit hoe, als de spijt en het knagende gevoel maar zachter gezet kon worden. De stemmen waren nooit weg, nooit vriendelijk en ze hadden altijd gelijk. Al die jaren had hij geweten dat het aan hem lag. Het verleden had hem in een ijzeren greep gehouden, en hij had dat geaccepteerd. Elke keer als hij wat nieuws wilde beginnen waren er meteen de spoken van vroeger die hem er aan herinnerden dat hij een ongeschikt persoon was. Niet in staat een relatie te hebben, niet geschikt voor ambitie of echt ongebreideld plezier. Hij ging er altijd maar van uit dat hij te gemiddeld of te depressief was om echt iets te bereiken in zijn leven. En dus probeerde hij het niet meer.
Samen met de plastic indiaan die in de hoek van hun woonkamer stond had Brun al heel wat uren zwijgend zitten drinken. Maar elk jaar, zo aan het begin van de lente, begon het ook bij hem te kriebelen. Dan floot hij zachtjes, om de indiaan niet teveel te storen, liedjes uit de jaren zestig van de vorige eeuw. Liedjes van voor zijn geboorte, die nog niks aan kracht hadden ingeboet.
Ik weet niet wat ik misdaan heb, of welke god ik nu weer beledigd heb; maar ik zit al een paar uur met het nummer 'Orinoco flow' van Enya in mijn kop. En aangezien ik het nummer niet goed genoeg ken om het te kunnen zingen mompel ik maar wat zelfverzonnen teksten. 'Bladibladi páh páh, rokki tokki ... ' enzovoorts. Dodelijk irritant.
Zonder enige vorm van emotie werd Armin gedwongen tot handelen. Hij wist wel dat het fout was, hij kende de wet, en moest dus zorgen dat hij niet werd gepakt. Dat was zijn probleem niet. Eerlijk gezegd had hij geen probleem. Hij verwonderde zich alleen. Dit was het meest extreme dat hij in zijn leven had gedaan. Het was de overtreffende trap van zijn zoektocht naar de grens van zijn eigen toelaatbaarheid. Hij wist al veel langer dat hij over de grens van de wet moest gaan wilde hij komen tot een punt waar hij zelf spijt en wroeging zou krijgen over de daden en handelingen die hij verrichtte.
Ik druk op refresh in mijn browser en zie dat er iets is gezegd. We, mijn FOK!-collega’s en ik, zijn bezig in het topic “Geen reet te doen op je werk, Deel 124”. Het bedrijf dat we kunnen runnen is 'kansloos en co'. Er wordt hard gewerkt, maar niks gemaakt. Op het doodmaken van tijd na doen we geen reet.
Het zat er al een beetje aan te komen: ik ben ziek. De hele week liep ik te snotteren. En gisteren werd het me te veel. Teveel snot om te ademen, en te weinig slaap om wakker te worden.
Half tien. Drie januari. Ik loop zoals gewoonlijk naar de rokersruimte om een sigaret op te steken. Normaal tref ik daar een select gezelschap uit alle lagen van mijn bedrijf. De rokers klitten op gezette tijden samen om zich te wentelen in hun verwoestende gewoonte. Vandaag is er niemand. Het kan liggen aan de wintersportperiode. Maar ik vrees het ergste. Het jaar is namelijk net begonnen, en ik ben alleen.
Ik was uitgenodigd door een vriend, of was het een vriend van een vriend? Ik weet het niet zo goed meer. Het was in die periode niet helemaal duidelijk wie nou wie was in mijn beperkte sociale kring. Ik kende steeds meer mensen, steeds minder goed.
“Oh, en als je nog een kerstboom hebt staan moet je die mee nemen. Vreugdevuur!” Werd me nog mee gegeven met de uitnodiging.
De afdelingsjoker had een groene kerstmuts op. Ja, echt waar. De reden ken ik eerlijk gezegd niet. Het zal wel een weddenschap geweest zijn. De afdelingsjoker is zo iemand die geen werkelijke aanleiding nodig heeft om iets ‘geks’ te doen. Trots loopt hij met kerstmuts door de gang. Hunkerend naar hij de aandacht die hij waarschijnlijk zijn hele leven mist. En verwart hij die aandacht voor de moederliefde die hij zijn hele jeugd heeft moeten ontberen.
Mia, de vrouw van Theo, hield bij elke ruzie haar benen stijf tegen elkaar, tot hij zijn excuses aanbood. Hij had besloten dat hij dit keer twee weken zonder seks wel te doen vond, maar om er voor te zorgen dat hij niet overstag zou gaan omdat hij zin had om te neuken, was hij naar de hoeren gegaan. Hij parkeerde aan de overkant van de straat. Blijkbaar was het een beroemde foutparkeerdersplek, want toen hij na krap een half uurtje weer buiten stond, had hij een bon op zijn voorruit...
Ik zit in de auto op de A50, richting Eindhoven. Zoals gebruikelijk is het druk, maar niet té druk. Dat betekent dat ik met gemak op de linkerbaan plakkend 150 kilometer per uur kan rijden. Er is ruimte zat! Niks aan de hand, zou je denken. In de verte zie ik een rijtje vrachtwagens op de rechter baan. Links van de vrachtwagens zie ik een rode Opel Meriva die bezig is aan een inhaalmanoeuvre.
Na de vreemde inbraak en de daarop volgende ontdekkingen word ik wakker met een misselijkmakende kater. Olivia speelt een raar spel, Tanja is niet te vertrouwen en de tuinder heeft een vage, maar belangrijke rol in het geheel. Hoe zinderend de ontknoping zou worden - daar had ik geen weet van. Was ik maar thuis gebleven.
Ik geloof niet in Sinterklaas. Vroeger wel, maar de laatste jaren ben ik gaan twijfelen aan zijn bestaan. Overigens geloof ik ook niet in God. Ik geloof in wetenschappelijk bewezen feiten, en die zijn er over de Sint nu eenmaal niet zo veel.
"Ik heb de sleutels van die blonde gejat." Het was het eerste wat Cobi tegen me zei toen we ruim buiten gehoorafstand van de voordeur waren.
Terwijl we onze fietsen, die aan de overkant van de straat stonden, van het slot aan het halen waren liet ik de implicaties van deze opmerking tot me doordringen. Het was nooit voor niets. Dit soort dingen gebeurden met een reden. Wim en Donald reden weg. Ze hadden geen weet van de spanning die deze avond ineens droeg. Het enige wat ze wilden, was laveloos worden. Ik wilde dat ook, maar Cobi had gereageerd en nu moesten we het spel spelen. Want spellen zijn er om gespeeld te worden.
Donald kwam binnen. Met een blik op de vage ogen van Cobi wist hij wat voor feestje het was. Met een lach op zijn gezicht liep hij op het feestvarken af. Hij gaf hem drie dikke zoenen en riep: "Gefeliciteerd! Daar moet op gedronken worden!"
Met een vers biertje voor ons allemaal, en een shotglaasje voor zichzelf, kwam hij bij ons zitten. Zijn hand ging onder tafel naar mijn linkerbeen, waar de fles sterk naar keuze meestal stond.
Weet je wat me opvalt van mensen die ergens geen verstand van hebben? Ze gaan harder praten. Of in elk geval de vrouw die achter me zit. Een echte tientonner. Twee dagen in de week werkt ze. Of waggelt ze door de gangen met een grimas op haar gezicht. Wat ze precies doet is me, net als bij zoveel mensen hier, niet duidelijk. De afgelopen tijd zit ze te bellen.
From: Parre, Fred van de
Sent: vrijdag 13 oktober 2007 13:14
To: Helpdesk NL Nationaal ALL (HNN)
Subject: Vakantie inzet en planning resources
Beste Helpdeskmedewerkers,
Vanuit het management zijn er vragen omtrent de inzet en planning van de helpdesk. In de voorgaande maanden hebben we gemerkt dat er geen managers zijn die precies weten waar iedereen is die aan al die tafels moeten zitten.
Als ik naar buiten kijk, en de mist en druilerige regen zie, bedenk ik me dat een dag als deze makkelijk verloren kan gaan. Verloren in de maalstroom van dagen, eentonigheid en defaitisme. Deur open, deur dicht. Verder gaat het vandaag niet. Een verloren dag, niet weggegooid.
We zaten op een muurtje in de nazomerzon. Mijn vriend Devon had de nare gewoonte van elke discussie een strijd te maken die je niet kon winnen. Dat maakte het heel vervelend om het, op wat voor manier dan ook, met hem oneens te zijn. Plotseling besefte ik dat het eenvoudig was om rust te vinden. Vaak kapte ik beginnende discussie af door simpel te melden dat ik het wel een keer zou opzoeken.
Ik lees in een blad dat er irritatie is op de werkvloer. De grote bron is allang niet meer het salaris of de werkdruk, nee, het zijn collega's. Luid telefoneren, bemoeials en betweters. Bemoeizuchtige collega's die de rol van je baas overnemen. Ze zorgen voor veel irritatie op de werkvloer, maar halen het niet bij de allergrootste ergernis: zuchtende collega's.
In mijn kelder staan vijf vuilniszakken. Ik moet ze nog steeds een keer weggooien, maar het komt er niet van. Ze zitten vol met de dierbare herinnering aan een belofte van nieuw geluk. De kou die ik voel is weg. De rest van mijn leven heb ik spijt van de dingen die ik heb gedaan, en spijt van de dingen die ik niet heb gedaan.
In de stille avondschemer liep Meteor door de straten van de stad. Hij had een broertje dood aan dagen, maar zodra de avond begon kwam hij tot leven. De ziltige koelte na een warme zomerdag was zijn levensadem. En er waren maar een paar uren per dag, een paar maanden per jaar, dat hij vrijelijk kon ademen. Het verkeer luwde dan en de stadsvogels kwamen weer tot leven na hun dagslaap in de zinderende hitte.
Tegenover me woont een oude man. Hij heeft al lang geleden besloten dat hij dood is, en wacht op zijn sterven. Nu zal je wel denken: ‘waar haalt hij die informatie nou vandaan? Verzint hij het?’ Maar nee, dit keer verzin ik niets. Ik weet dat hij wacht op zijn sterven. Hij heeft het me ooit verteld.
De ontdekking van de hut was geen kleine gebeurtenis. Dat het ding er was kon je met gemak een wereldschokkend feit noemen. Uitgegraven en met takken bedekt was de kuil meer dan alleen een hut in het bos, het was een symbool van de suprematie van de grote jongens. De groepen die elkaar met geweld bestreden. En wij? Wij waren los van alle vetes en oorlogen die er in het kleine stukje bos tussen mijn huis en de school werden uitgevochten. Wij waren vrij. Zonder vriendjes hadden wij een pact van eenzamen gesloten.
De leugen is overal. Ik weet dat, want ik lieg altijd, en daarom nooit. Ik weet namelijk niet of ik wel besta. Heb geen bewijs voor mijn bestaan en ook geen bewijs van het tegenovergestelde. Whoep, nu kom ik meteen in de paradox van het bestaan terecht. Dat was niet helemaal mijn bedoeling, maar nu ik er toch ben kan ik er makkelijk iets over uitweiden.
"Volgens mij is er niks meer aan te doen."
"Ik weet het, of, ik wist het. Ik wist dat dit zou gebeuren."
"Hoe bedoel je?" Zijn gezicht komt me bekend voor, alsof ik hem ooit heb gezien.
"Ik bestuurde het vliegtuig dat bij jouw kantoor naar binnen vloog. Ik zag je nog zitten aan je bakkie ochtendkoffie."
"Waarom deed je dat dan," ik zou zoiets nooit doen.
"Omdat ik 46 maagden zou krijgen, en een speciaal plekje in de hemel."
Het was een beetje een rare discussie vannacht. Je moet weten dat de meesten van mijn vrienden veroordeelde TBS'ers zijn. Sterker nog; al mijn vrienden zijn veroordeelde TBS'ers. En dat zijn fijne mensen. Ze snappen hoe de wereld in elkaar zit en ze hebben genoeg mee gemaakt om ook de lastige vragen in het leven te kunnen beantwoorden. Toch zijn veel van mijn vrienden onzeker.
Ingmar wist dat hij de jongste was. De laatste die aan de afdeling toegevoegd was. Lange tijd had hij zich afgevraagd wat hij moest doen. Niemand wist dat, had hij het idee. Hij kreeg de afmakertjes, de dingen die bleven liggen. Klusjes noemde zijn manager het. Hij voegde daar zelf vaak het woordje kut voor, want echt uitdagend was het allemaal niet.
Het was een donkere nacht. Olson James zat op de bank. Het was zeker dat men hem in de gaten hield. Op random momenten zette hij de televisie aan, liet de lichten soms branden als hij niet thuis was en zat hij in het donker terwijl hij er gewoon was. Een computer had hij niet, zijn data zat in zijn hoofd. Niemand kon er bij, en dat was wel veilig ook. De dingen die hij wist konden een regering laten vallen. Of erger.
Willy was er bij, de enige radiomaker van Regensburg legt confronterend en op zijn eigen wijze de gebeurtenissen van de eerste afleveringen vast.
De dag begon zoals hij door ging; er verandert niets. Het was vandaag tijd voor een evaluatiegesprek. Mijn functioneren staat ter discussie, en wordt met een gesprekje van twee keer vijf minuten geëvalueerd, waarna ik weer terug naar mijn plek mag. En dan zit je daar. Blijkbaar doe ik het niet slecht genoeg om ontslagen te worden. Ik lees het nieuws, en houd me totaal niet bezig met mijn werk. Ik heb teveel om over na te denken vandaag.
Na de gorte, verklote, opening gaat de jeugd van Regensburg zelf feest vieren. En dat doen ze op hun eigen manier. Jaques komt een schim uit het verleden tegen.
Jaques gaat op zelfonderzoek, en ontdekt dat er meer aan de hand is. Bij de tattooshop van Herman B. Schipmaker brengt een onverwachte bezoeker een duister nieuwtje.
Mis het niet, aflevering drie van FOK!s eigen soap opera.
Het gaat tegenwoordig nergens meer over. Ik had een zware dag gehad en zat aan het einde van mijn werkdag nog even te internetten achter mijn bureau. Er kwam iemand op me af die vroeg of ik betaald wordt om te internetten.
Ik kende zijn hoofd niet. Dat betekent dat hij manager is.
Een gratis krantje schreeuwde me toe dat het precies zoveel jaar na de aanslagen op het WTC in New York was. En dus ook zoveel jaar na de aanslagen op de treinen in Madrid. Schuin tegenover me zit een blondine met een boek. Ze is niet oud, maar van 'ondefinieerbare' leeftijd. Ik schat haar 'doable'. Ik schat dat ze ongeveer van mijn leeftijd is?. Een aanslag zou alles grondig verpesten, ook mijn goede humeur.
Soms is het moeilijk om geen chagrijnige zak te zijn. Ik betracht sympathie en begrip, medeleven en gevoel. En toch kom je soms mensen of situaties tegen die je geloof in de goedheid van de mens doen wankelen. Het kleine stukje treinreis is voorbij. In Eindhoven stap ik uit. Ondanks dat ik al lang geen vlees meer eet koop ik een saucijzenbroodje als ik het station uit loop. Ik lees voorlopig even geen waarheden meer.
Ik kwam thuis met een raar gevoel. Priscilla liet me niet los. Ik wilde haar kwijt zijn, zodat ik om haar kan rouwen. Ik wilde alles van vroeger kunnen laten gaan, en toch neem ik wraak voor haar. Wraak op de man die haar van me heeft afgepakt. Door hem is ze weggegaan. Ik zet mijn monitor aan en zie een MSN-venster open staan. Het is Pricilla. Ze heeft gehoord dat we allemaal op het politiebureau zijn geweest. Ik vertel haar kort wat er gebeurd is.
Één blik op de krant en ik ben echt wakker.
"Geschorste leraar vermoord" Ik slaak een kreet en gris de krant van tafel.
Rico heeft de krant ook gezien. Hij kan niet wachten om met me te praten. Rico en ik moeten iets verzinnen. Buiten hoor ik auto's. Het blijkt de politie te zijn.
Die avond zitten Rico en ik weer op de kleine, rommelige kamer van mijn hackervriend. Binnen een mum van tijd hebben we toegang tot de mail van onze geschiedenisdocent. Een echt spannend leven heeft hij niet. En aanwijzingen over Najib vinden we al helemaal niet. Ik vraag Rico of het makkelijk is om dingen op de gehackte computer te zetten. Het is een fluitje van een cent. Vanaf nu heb ik nog maar een doel: WRAAK!
De banaan op mijn bureau ligt me al de hele dag aan te staren.
Hij ziet een ruimte met bureaus en een ficus in de hoek. Af en toe loopt er iemand door het beeld. Rechts in zijn blikveld zit ik, dat kan ik zien want hij moet zich een beetje draaien om me recht aan te kijken. Hij heeft een broertje dood aan de dingen die ik doe. Ik voel de minachting als ik probeer te werken. Soms mompelt hij dat ik wat meer zetmeel en suikers zou moeten bevatten, net als hij. Als ik daar aan zou werken had ik tenminste nog wat inhoud. Hij kijkt langs me heen alsof ik niet besta.
Ik heb Franz Ferdinand er maar bij aan gezet vandaag. "It's always better on holiday, that's why we only work when we need the money." Op dit moment zou ik graag op mijn werk zitten. Mijn buurwijf is haar balkon aan het schuren en haar homovent doet iets met een boormachine in de tuin. Het is godverdomme zaterdag en ik heb nog minder rust dan op een kutdag op mijn werk. Ik durf er nu geld op te zetten dat er nog een of andere klerelijer besluit dat de motormaaier uit de stal moet voor z'n Uebertrieste drie vierkante meter gras.
Er wordt veel gezegd over kindsoldaten. Heel veel dingen kloppen niet. Mensen als Marco Borsato worden ambassadeur van War Child, maar hebben zelf nooit rond gelopen met een kalashnikov in hun hand. En juist die mensen moeten onze belangen behartigen. Het rapport 'Kindsoldaten, de schaduw van hun bestaan' maakt de situatie van deze jonge soldaten meer inzichtelijk. En door wie is dat geschreven? Juist, niet door een kindsoldaat. Dus bij deze een verslag van het leven van een kindsoldaat, door mij, een kindsoldaat.
Ik fiets naar mijn werk en zie ze rijden. Het zijn dezelfde meisjes als toen, toch al meer dan 15 jaar geleden. Al zijn ze nu misschien modern te noemen, ze zien er nochtans het zelfde uit als de meisjes bij wie ik in de brugklas heb gezeten. Ze fietsen samen met hele kluwen naar school toe. Scholieren zijn het.
Als ik nu veertien was zou ik onmiddellijk de les skippen en het achterwerk van Saskia een grondige inspectie geven. Ik zou haar op alle manieren die verzonnen kunnen worden betasten.
"Lieverd, ik ga nu weg. Ik heb werkelijk geen zin om dit soort onzin aan te moeten horen. Ik spreek genoeg psychologen om te weten dat het probleem niet bij mij ligt. Ik heb geaccepteerd dat jij en ik niet bij elkaar passen, doe jij dat nu ook maar." Ik betaalde voor de koffie en zei haar gedag.
Dat heb ik dan weer. Het komt maar weinig voor dat ik überhaupt in de trein zit. Om begrijpelijke redenen moet het tegenwoordig weer af en toe. Zo ook deze vroege zaterdag, voor een reisje naar mijn home town. Het materieel van de NS is sinds mijn studententijd niet vernieuwd. Ik weet haast zeker dat ik al eens in dit treinstel heb gezeten, en toen was het al een ouwe klote sloep.
Aan het einde van de straat naar rechts draaiend zag hij de lichtjes van het terrein. Dit was exact de foto die op zijn netvlies was gebrand toen hij wakker werd. Hij wist waar hij was, wat zijn opdracht was. Voor het eerst sinds hij gisteravond met de man in het busje stapte wist hij precies wat hij aan het doen was.
De H5N1 komt oraal, niet rectaal, denken de onderzoekers. Een commissie over dierexperimenten vind onderzoek naar de oraliteit van de vogels niet vriendelijk genoeg. Ik denk dat, hebben we niet dagelijks te maken met verschillende vormen van diarre. Ik stel dan ook een commissie voor elk onderzoek, elke uitspraak en politicus voor, in onze nationale strijd tegen diarree.
Het bedrijf had hem niet meer nodig. Dat wist hij nu wel zeker. Zijn rapporten werden al lang niet meer gelezen. Hij kon dat merken omdat er nooit opmerkingen op kwamen. Sinds de laatste van zijn oude collega`s vervroegd was vertrokken, had hij exact op die manier de dingen gedaan. Waarom zou het proces nu ineens veranderd zijn? Alleen maar omdat er nieuwe dingen werden uitgevonden. Met enige weemoed bedacht hij dat er vandaag een einde aan zou komen.
Vandaag was de dag dat hij het allemaal achter zich zou laten. De speech die hij gisteravond geoefend had, dwarrelde in duizend stukken door zijn hoofd, het begin zoek en het einde versnipperd in tientallen mogelijke uitkomsten. Hij droomde erover om met opgeheven hoofd de complimenten aan te nemen en het aanbod af te slaan, als het op hem af zou komen. En hij wist dat het een stuk moeilijker dan dat zou worden.
Soms heb ik het idee dat ik alleen maar voldoe aan de eisen en wensen van anderen. Soms lijkt het alsof ik alleen maar marchandeer in de nauwe speelruimte die het leven me geeft. Ik heb gewoon een beetje last van winterblues.
Soms heb je dat, ik werd dus met een schok wakker. Echt, Ineens was er een gedachte midden in mijn droom. Ik was bezig met de voorbereiding voor de uitvlucht uit mijn schrale leven. Dat droomde ik. En ineens was er die gedachte dat ik dat daadwerkelijk aan het doen was. Ik ga er vandoor, vandaag nog, en verbrand al mijn schepen achter me. Laat de klootzakken maar betalen.
Mijn kladblok ligt open op tafel en er staan drie woorden op gekriebbeld: Eratosthenes, KBI en celeberrie pictures (pron). Alsof het licht geeft springen de letters KBI er uit. Een van de bedrijfjes die op is gegaan in de IT afdeling van mijn nieuwe klant heette Key Boss Industries. En vanuit het kantoor van die klant is de inbraakpoging bij de bank gedaan. Dit kan geen toeval zijn. Berrie komt met een noodgang op me af.
Ik worstel mezelf uit bed en loop om de hete brij heen. Op ochtenden als deze is het moeilijk om te dingen te doen die ik moet doen. Mijn rapport van gisteren viel niet echt goed, toch ga ik door met graven.
Te vroeg te vaag. Ik weet niet meer precies wat ik gisteravond heb gedaan, er werd bier geschonken en een oude bekende was er na een lange afwezigheid weer eens. Meer reden voor meer drank dus. En nu zit ik achter mijn bureau. Het is negen uur, mijn maag borrelt om onbepaalde reden en ik moet naar de ochtendmeeting. En het zou nog wel eens een lange dag kunnen worden.